Kleurendia’s uit de jungle van Nieuw-Guinea PDF Afdrukken E-mailadres
Boeken over West-Papua
Staatssecretaris P. J. S. de Jong tijdens een inspectie van het Papoea Vrijwilligers Korps in april 1962.
 

Kleurenfoto’s. Dat is het eerste wat opvalt in het pas verschenen boek over het Papoea Vrijwilligers Korps dat het Nederlandse bewind begin jaren zestig bijstond op Nieuw-Guinea. Beelden uit het overzeese gebiedsdeel zijn doorgaans zwartwit, maar een unieke serie kleurendia’s vormde de aanleiding tot de uitgave van een boek over een legeronderdeel waarover nog nauwelijks iets was gepubliceerd.

Fotografie in kleur was destijds een dure hobby. Dia’s zijn beter bewaard gebleven dan kleurenfoto’s, waarvan de negatieven vaak danig verschoten zijn. De dia’s uit Nieuw-Guinea geven letterlijk en figuurlijk een helder beeld van de militaire activiteiten van de inlanders. Al was er op de spannendste momenten wel iets anders te doen dan fotograferen.

Het boek over het Papoea Vrijwilligers Korps, samengesteld door de conservator van het Legermuseum in Delft, werd gepresenteerd op 23 februari, toen het precies 50 jaar geleden was dat koningin Juliana Koninklijk Besluit nummer 62 tekende, waarbij het korps werd ingesteld. Het was Nederlands vijfde krijgsmachtdeel en moest de basis gaan vormen voor het leger van een onafhankelijk West Nieuw-Guinea. Kolonel der mariniers W. A. van Heuven kreeg de leiding over het PVK. Het kader bestond uit zowel marine-, landmacht- als luchtmachtpersoneel. Verschillenden van hen vertellen in dit boek over hun ervaringen.

Er was al eerder een Papoeacompagnie geweest, maar dat was naar huis gezonden toen het korps mariniers in 1955 de bewaking van Nieuw-Guinea overnam. Zes jaar later werden de inlanders weer in dienst genomen; niemand kon de verdediging van het gebied beter ter hand nemen dan zij. „In een dergelijk terrein en klimaat zouden Europese troepen van weinig waarde zijn”, schreef een officier.

Die verdediging was nodig, want Indonesië rustte niet voordat ze ook de westelijke helft van Nieuw-Guinea van de Nederlanders had overgenomen. Groepjes infiltranten landden op de kust en werden in de rimboe achtervolgd. De Papoea’s bewezen goede diensten: in de wildernis hadden zij de vijand vaak sneller in de smiezen dan de Nederlandse militairen.

Al werkten Nederlanders en Papoea’s goed samen, hun culturen bleven verschillen. Voor de Papoea’s, ook voor de vele christenen onder hen, was de geestenwereld een boosaardige realiteit. Een ander voorbeeld was de Papoea die aan zijn wang gewond raakte en aan de Nederlandse arts vroeg het litteken zo opvallend mogelijk te laten zien, want dat vergrootte het aanzien van de Papoea bij zijn stamgenoten. De dokter lachte vriendelijk en deed toch maar wat hem goed leek: er was later nauwelijks meer iets van de verwonding te zien.

Nederlands Nieuw-Guinea is nooit onafhankelijk geworden. Het kwam uiteindelijk toch in Indonesische handen. Een van de foto’s toont somber gestemde Papoea’s, kort nadat het staakt-het-vuren hun bericht was. Het korps werd ontbonden; de Nederlanders vertrokken. „Verget ons niet”, schreef Papoeasoldaat Mareret in gebroken Nederlands aan zijn voormalige pelotonscommandant in Nederland. Het is een brief vol hartzeer over doorgesneden banden. „Want we ook verget Uw niet.”

Een aantal Papoea’s vormde een verzetsgroep in de jungle. Hun verlangen naar een vrije staat bleef onvervuld.

Verget ons niet. Het Papoea Vrijwilligers Korps (1961-1963), Casper van Bruggen; uitg. Aspekt, Soesterberg 2011; ISBN 978 94 615 3004 2; 315 blz.; € 22,95.